Home > Het Wilhelmus

Het Wilhelmus

Menigeen die dezer dagen in de niet ondenkbare situatie belandt waar het Wilhelmus wordt aangeheven, staat met de mond vol tanden. Vele blijken de tekst niet of amper te kennen en de strofe "ben ik van duitsen bloed" kan met name op 4 mei aanleiding geven voor verwarring. Talloos zijn de initiatieven om de hymne aan populariteit te doen winnen, net als de pogingen het lied toegankelijker te maken.
Het Wilhelmus lijkt Nederlanders weinig te deren. Een enquête uit 1998 wijst uit dat slechts achttien procent van de Nederlanders het eerste couplet kan meezingen. In 1992 was dat nog 42 procent.

Op 4 en 5 mei is het vanzelfsprekend dat het Wilhelmus wordt gespeeld. Opvallend is dat de Rijksvoorlichtingsdienst niet kan vertellen wanneer het volkslied wel of niet ten gehore moet worden gebracht. Dit in tegenstelling tot landen als Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, waar elke openbare gebeurtenis met het spelen van het volkslied wordt ingeluid. Zelfs bij verjaardagen van leden van het Koninklijk Huis bestaat onduidelijkheid. Op de radio wordt soms wel, soms niet het Wilhelmus gespeeld. De televisie doet daar nog minder aan. Vroeger besloten de Nederlandse radiozenders hun dagelijkse programma's ook met het Wilhelmus, maar sinds er ook nachtprogramma's zijn is die gewoonte afgeschaft. Het volkslied is een verplicht nummer bij sportwedstrijden tussen nationale teams. Maar bij wedstrijden tussen individuele sporters gebeurt dat weer niet.
Het Wilhelmus is uniek in zijn soort. Geschreven rond 1570 is het niet alleen het oudste volkslied ter wereld, maar tevens een van de weinige nationale hymnen die niet het bloedige en krijgshaftige verleden van het land beschrijft. Het is een ode aan de stichter van het land: Wilhelmus van Oranje.

Veel rond het Wilhelmus is in een nevel van raadselen gehuld. De tekst dateert dus van rond 1570. De oudste geschreven versie stamt uit 1578 en werd pas in 1996 in de Bibliothèque Nationale in Parijs weer onder het stof vandaan gehaald. De auteur is onbekend, hoewel vaak de naam van Marnix van St. Aldegonde wordt genoemd. Maar die heeft het zelf nergens in zijn eigen uitgaven opgenomen.
De melodie komt waarschijnlijk voort uit een Frans soldatenlied, dat voor het eerst in 1574 is vastgelegd. Valerius paste de wijs in 1626 aan. Het is in grote lijnen de melodie die we ook thans nog zingen of meehummen. Het Wilhelmus is niet altijd ons officiële volkslied geweest. Bij de vorming van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815, werd het als 'strijdlied van de patriottische/oranje partij' terzijde geschoven. Er werd een wedstrijd uitschreven voor een nieuwe hymne. De winnaar was Hendrik Tollens met zijn nationalistische gedicht "Wien Neêrlands bloed door d'aderen stroomt, van vreemde smetten vrij...'
Het Wilhelmus bleef echter populair en werd nog steeds bij allerlei officiële gelegenheden, zoals bij de kroning van Wilhelmina in 1898, gespeeld. In 1932 werd het Wilhelmus als volkslied gerehabiliteerd.

Het Wilhelmus, we weten allemaal dat ons volkslied zo heet. Maar wie kent eigenlijk de tekst?
Daarom staat hier het Wilhelmus met zijn 15 coupletten voor u uitgeschreven.

1) Wilhelmus van Nassouwe
ben ik, van Duitsen bloed,
den vaderland getrouwe
blijf ik tot in den dood.
Een Prinse van Oranje
ben ik, vrij onverveerd,
den Koning van Hispanje
heb ik altijd geëerd.


2) In Godes vrees te leven
heb ik altijd betracht,
daarom ben ik verdreven,
om land, om luid gebracht.
Maar God zal mij regeren
als een goed instrument,
dat ik zal wederkeren
in mijnen regiment.

3) Lijdt u, mijn onderzaten
die oprecht zijt van aard,
God zal u niet verlaten,
al zijt gij nu bezwaard.
Die vroom begeert te leven,
bidt God nacht ende dag,
dat Hij mij kracht zal geven,
dat ik u helpen mag.

4) Lijf en goed al te samen
heb ik u niet verschoond,
mijn broeders hoog van namen
hebben 't u ook vertoond:
Graaf Adolf is gebleven
in Friesland in den slag,
zijn ziel in 't eeuwig leven
verwacht den jongsten dag.
 

5) Edel en hooggeboren,
van keizerlijken stam,
een vorst des rijks verkoren,
als een vroom christenman,
voor Godes woord geprezen,
heb ik, vrij onversaagd,
als een held zonder vreden
mijn edel bloed gewaagd.


6) Mijn schild ende betrouwen
zijt Gij, o God mijn Heer,
op U zo wil ik bouwen,
Verlaat mij nimmermeer.
Dat ik doch vroom mag blijven,
uw dienaar t'aller stond,
de tirannie verdrijven
die mij mijn hart doorwondt.

7) Van al die mij bezwaren
en mijn vervolgers zijn,
mijn God, wil doch bewaren
den trouwen dienaar dijn,
dat zij mij niet verassen
in hunnen bozen moed,
hun handen niet en wassen
in mijn onschuldig bloed.

8) Als David moeste vluchten
voor Sauel den tiran,
zo heb ik moeten zuchten
als menig edelman.
Maar God heeft hem verheven,
verlost uit alder nood,
een koninkrijk gegeven
in Israël zeer groot.


9) Na 't zuur zal ik ontvangen
van God mijn Heer dat zoet,
daarna zo doet verlangen
mijn vorstelijk gemoed:
dat is, dat ik mag sterven
met eren in dat veld,
een eeuwig rijk verwerven
als een getrouwen held.


10) Niet doet mij meer erbarmen
in mijnen wederspoed
dan dat men ziet verarmen
des Konings landen goed.
Dat u de Spanjaards krenken,
o edel Neerland zoet,
als ik daaraan gedenke,
mijn edel hart dat bloedt.
 

11) Als een prins opgezeten
met mijner heires-kracht,
van den tiran vermeten
heb ik den slag verwacht,
die, bij Maastricht begraven,
bevreesde mijn geweld;
mijn ruiters zag men draven
zeer moedig door dat veld.

12) Zo het den wil des Heren
op dien tijd had geweest,
had ik geern willen keren
van u dit zwaar tempeest.
Maar de Heer van hierboven,
die alle ding regeert,
die men altijd moet loven,
en heeft het niet begeerd.

13) Zeer christlijk was gedreven
mijn prinselijk gemoed,
standvastig is gebleven
mijn hart in tegenspoed.
Den Heer heb ik gebeden
uit mijnes harten grond,
dat Hij mijn zaak wil redden,
mijn onschuld maken kond.


14) Oorlof, mijn arme schapen
die zijt in groten nood,
uw herder zal niet slapen,
al zijt gij nu verstrooid.
Tot God wilt u begeven,
zijn heilzaam woord neemt aan,
als vrome christen leven,-
't zal hier haast zijn gedaan. 


15) Voor God wil ik belijden
en zijner groten macht,
dat ik tot genen tijden
den Koning heb veracht,
dan dat ik God den Heere,
der hoogsten Majesteit,
heb moeten obediëren
in der gerechtigheid.

 

 



 


 

 

© 1946 - 2012
Oranjevereniging Vroomshoop